12a | De lustelijke mei is nu in de tijd

12a | De lustelijke mei is nu in de tijd

Op deze vrolijke melodie zijn ruim driehonderd contrafacten geschreven, van de zestiende tot in de achttiende eeuw. Onze melodiebron, de Souterliedekens uit 1540, is een bundel van alle 150 psalmen berijmd in het Nederlands, en geschreven op populaire wijsjes van de straat en uit de café’s: liefdesliedjes, smartlappen, drinkliederen, ballades. Heel slim van de dichter – volgens de traditie de Utrechtse edelman Willem van Zuylen van Nyevelt, die voorzag dat hij op deze manier ook de jeugd aan het psalmzingen kon krijgen. Dat is hem gelukt, de bundel is lange tijd zeer populair geweest.

In de tekst ‘Den lustelijcken mey’ horen we een minnaar te midden van een groep jongens de maand mei bezingen, waarin niet alleen de natuur maar ook de liefde opbloeit. De vrijers trekken langs de huizen van de aanbeden meisjes om een meitak aan te bieden: een bloesemtak die als een teken van liefde aan hun vensters bevestigd wordt. Ook doen de jongens een oproep om een meiboom uit het bos te halen en ‘in te brengen’, te planten in het midden van het dorp of de stad. Om die boom kon tijdens het meifeest gedanst worden.

koene vol vertrouwen
Die tot desen meye scrijt wie deze meiboom, nl. Christus, in tranen aanroept
Sijn nl. van Christus
moet al moet(‘t) al, moet alles
Christo aan Christus
Pays vrede aan
bespoeyt besproeit
slaeft zwaar werk doet
iock juk
ghebloeyet rijs bloeiende tak
beeten kauwen
wilt wil het
vrame geluk
niet om verwinnen onoverwinnelijk
versoecken om hulp vragen
ontploken uitgespreid (van takken)
ontloken geopend (van armen)

Tekst en melodie uit: Een devoot ende Profitelyck Boecxken, inhoudende veel gestelijcke Liedekens ende Leysenen, diemen to deser tijt toe heeft connen ghevinden in prente oft in gescrifte (Antwerpen: Simon Cock, 1539), fol. 83r.-84r. https://www.dbnl.org/arch/_dev001dfsc01_01/pag/_dev001dfsc01_01.pdf (pdf p. 93-94)

Bladmuziek

Tekst

3. Die nachtegael singhet nacht ende dach
Met menich dierken cleyne,
Want ghi die Venus doet gewach
Wendt u ten veldekens reyne;
ende wilt ons comen bi,
U, weerste lieveken, ic ende ghi,
en acht gheen nijders bespringhen
ende helpt ons den mey in bringhen.

4. O Venus, had ick mijn lieveken alleyn,
Het soude mijnder herten lusten;
ende wi tsamen laghen op een beddeken cleyn
Daer ick bi haer mocht rusten;
ende wi daer speelden moedernaect
Alsomen die bervoetekinderkens maect,
So soude ic mijn lieveken ghebruycken
Ende in mijn armkens luycken.

5. Amoreuse lievekens zijn hier vergadert,
This elcken een melodie.
Als deen gesichte dander verclaert,
Scout alle melancolie.
Haer caecxkens zijn van coluere root
Ende hoe menich versuchten groot
geeft elc zijn liefken int wesen!
Een soenken van u, schoon lief, salt genesen.

6. Oorlof, princelijc lief seer amoreus,
Nu bidde ic u om een bede:
Neemt desen mey in dancke seer coragieus
Ende bewaert hem na reynder sede;
Thoont ons u ghetrouwige jonste fier
Al onder desen soeten eglentier!
Wilt uut den slape ontspringen
Ende helpt ons vrolijc singhen!

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten