17 | Belle Iris

17 | Belle Iris

De oorsprong van deze melodie is een muziektheaterstuk voor het Franse hof van de componist Jean-Baptiste Lully en de dichter Isaac de Bensérade: Ballet Royal de l’Impatience. Bij de première op 19 februari 1661 in het Louvre speelde koning Lodewijk XIV de rol van ‘un Grand amoureux’, die in de eerste scène een serenade brengt aan zijn maîtresse, met de tekst ‘Sommes nous pas trop heureux, Belle Iris que vous en semble?’ Hier komt onze wijsaanduiding ‘Belle Iris’ vandaan, evenals ‘Sommes nous pas trop heureux’ en ‘Sur le Balet Royal’, waarmee de melodie ook wel wordt aangeduid. Wij hebben de muziek ontleend aan het handschrift Finspong (ca. 1690), een Recueil de Pieces de musique waarvan transcripties te vinden zijn in de Nederlandse Liederenbank.

In de tekst ‘Klagte van een min-sieke Maegt’ die wij voor deze melodie gekozen hebben uit de bundel Het Soes-dijcker Nachtegaeltje, vraagt een vrouw een speciaal cadeau aan Sinterklaas. Ze hoeft geen snoepgoed, ze heeft liever een vrijer, ‘Die mijn minne-lust voldoet’. Tot nu toe heeft ze elk jaar gekregen wat ze verlangde, van mooie oorbellen tot kanten zakdoeken, maar nu wil ze een leuke en betrouwbare vent – geen flierefluiter – die ook goed is in bed. Als daar dan een kindje van komt, zal ze het uit dankbaarheid ‘Klaasje’ noemen.

Pendanten oorbellen
Naelt haarspeld
eens vrijers sinne de liefde van een jongeman
tuysscher gokker
lichtmis losbol

Tekst uit: Het Soes-dijcker Nachtegaeltje, Singht en Queelt met de Herders en Herderinnetjes, de nieuwste, raerste Amoureuse Liedekens, Vrijagie, en andere Snaeckery (Amsterdam: de Weduwe Loots-Man [na 1678]), pp. 38-39 https://www.dbnl.org/tekst/_soe002soes01_01/_soe002soes01_01_0019.php
Melodie uit: Recueil de Pieces de musique, Handschrift FinspongMS9098: familie de Geer, deel 2 (ca. 1690), p. 11, lied nr. 158. Transcriptie door Wouter Steenbeek in http://www.liederenbank.nl/image.php?recordid=152232&lan=nl

Bladmuziek

Tekst

3. Wat mijn hert maer heeft begeert,
Kreegh ick van u alle Jaren,
Maer ick moet u nu verklaren
Wat dat nu mijn herte deerdt:
‘k Bidde doch hoort u slavinne,
Die van minne-lusten brandt:
Neyght tot my eens vrijers sinne,
Die my op Trouw geeft sijn handt.

4. Gunt my doch een goet mans kind,
Niet te oudt of jongh van jaren,
En in menig’ Const ervaren,
Die my als sijn ziel bemindt:
Geenen dobbelaer of tuysscher,
Geenen dronckaert of lichtmis,
Maer die sich draegt reyn en kuysscher,
En wel rap van leden is.

5. Gundt my doch sulcken man,
Die sijn huys wel kan regeeren
En sijn vrouw wel weet te eeren,
En in ’t bedt onthalen kan:
Die mijn in sijn lieve armen,
Door soete lief-kosery
Tracht my dickwils te verwarmen:
Och! dan sou ick wesen bly.

6. Krijgh ick dan een jonge soon,
Als ick in de kraam sal leggen,
‘k Sal met blijder stemme seggen:
Sint Niclaes is mijn Patroon,
Sint Niclaes sal Peet-oom wesen,
De Naem van ’t Kindt sal Klaesje zijn.
Want door hem ben ick genesen
Van mijn smarte en minne-pijn.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten