21 | Polyphemus aan de stranden

21 | Polyphemus aan de stranden

De in zijn tijd zeer beroemde blokfluitist en beiaardier Jacob van Eyck schreef in Der Fluyten lust-hof variaties op bekende melodieën. Hij geeft eerst de pure melodie, dan de variaties. Hierdoor is het werk van de ‘Musicijn en Directeur vande Klok-werken tot Uitrecht’ een belangrijke bron voor het Nederlandse lied van de zeventiende eeuw!

Deze vlotte, schalkse melodie past goed bij de verhalende tekst en het erotische karakter van het lied, dat we voor het eerst vinden in het Haarlemse liedboek Laurier-Krans der amoureusen (1643), te midden van een trio Rosemond-liedjes. Op een dag is de herder Philander erop uit om ‘een roosje’ te plukken. Cupido’s goede raad volgend vindt hij de slapende Rosemond onder een struik van rode rozen.

Seyssem zeis
hem zich
ruys-pijp blaasinstrument met een riet
vermant overmant
een [er staat: in]
Zee-Godt namelijk Neptunus
vervaert bang
beperelt ‘geparelte’, parels
Flora godin van de lente en de bloesem
trots niet onderdoend voor
Aurora godin van de dageraad
Ooghjes Paragonne schitterendste ogen
Mana elders: mane
Diana godin van de maan
Pomonee van Pomene (godin van het fruit)
Orphee Orpheus, legendarische zanger
Phebus Apollo, god van de zon
d’welck dat [er staat: dien was]
sijn Galathees beminde de beminde van zijn Galatea, Acis
verslinden verpletteren
naerbotsen naschokken hiervan
achterdeel nadeel

Tekst uit: Cornelis Stribee, Chaos ofte Verwerden Clomp. In-houdende verscheyde vermakelijcke Lietjes; tot lust, ende vermaeck, van de vrolijcke Jeugt (2e verb. druk, Dordrecht: Jan Canijn, 1643), pp. 27-32.
Transcriptie dbnl: https://www.dbnl.org/tekst/stri015chao01_01/stri015chao01_01_0007.php
Melodie uit: Sparens Vreughden-Bron, uytstortende Veel Nieuwe als Singens-waerdige Deuntjens. Dl. 1 (Haarlem, Michiel Segerman 1643), p. 209. http://eeb.chadwyck.co.uk/search/displayThumbnails.do?ItemID=ned-kbn-all-00002273-001 (beeld 236 van 272)

Bladmuziek

Tekst

3. ‘Galathee’ heeft hy gesongen,
‘Sal den Jonghen
Poliphemeus noyt sijn brant
Met sijn water-Nimph verkoelen,
Moet ick voelen
Dat den AEthna my vermant?

4. Galathee komt doch wat nader,
Denckt, mijn Vader
Is een Zee-Godt onbevreest:
Voor Jupijn noch voor sijn Donder
(Ist geen wonder?)
Ben ick noyt vervaert geweest.

5. Galathee braveert de Werelt,
Geen beperelt
Is soo eel, noch ghy Jupijn,
Sy is blosender als Flora
Trots Aurora,
Klaerder als een Christalijn.

6. Uyt u Oogjens Paragonne
Haelt de Sonne
Hare schijnsel diese geeft,
Ghy verdooft de gulde Mana:
Ja Diana
By u schoonheydt niet en heeft.

7. Dus mijn schoone Galathea
Oogt mijn Vee na
’t Geen de Cyclops Bergen deckt.
En mijn Knods bedwingt de Landen,
En de Sanden
Alsoo wijt ons Landtschap streckt.

8. Ick heb (o Godin volwaerde)
In mijn Gaerde
Al de vruchten Pomonee;
Daer ick op mijn Pijp sal spelen,
En soo quelen
Aengenamer dan Orphee.

9. Ghy seght ick heb maer een Ooge,
Siet om hooge
Phebus heefter oock maer een;
Sonder d’welck dat Aerd’ en Hemel,
En ’t gewemel
Van de Sterren noyt en scheen.’

10. Noyt hiel hy zijn Oog uyt ’t Westen,
Dan ten lesten
Keerden hy hem raesend’ om’
Om sijn Galathees beminde
Te verslinden,
Gaf een yselijck gebrom.

11. Van dit grouwelijck nae botsen
Spleet de Rotsen
Van den Bergh AEthna heel;
Galathee die teeg aen vluchten,
Doch het suchten
Was tot Acis achterdeel.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten