23 | Nerea schoonste van uw geburen

23 | Nerea schoonste van uw geburen

Een opgewekte melodie, geschikt voor teksten met een zekere verontwaardiging of trots, die je met opgeheven hoofd zingt. Zo klinkt er verontwaardiging door in de liedtekst die de katholieke dichter Johannes Stalpaert van der Wiele bij onze melodiebron schreef, gericht tegen protestanten die het wonder van de eucharistie niet erkennen: ‘Wat reden hebstu dus te slijpen // U plomp verstand op Christus disch!’ Ook de tekst van nr. 23, ‘Fortuna goet’, is geschreven vanuit verontwaardiging, namelijk over de opvolging van de overleden Spaanse koning Filips II. Het is een beurtzang waarin zijn dochter, aartshertogin Isabella van Spanje, de latere landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden, haar halfbroer Filips III het koningschap betwist. Het lied vormt het slot van Het Beclach der Spaenscher Naty dat geheel aan deze kwestie is gewijd. In de tekst uit het handschrift van de dichter zelf (1597-98), de rederijker Laurens Jacobsz Reael, is de rolverdeling tussen de twee rivalen niet duidelijk; daarom is hier voor dit lied de gedrukte versie uit 1598 gekozen.

In het lied bevechten ‘De Soon’, Filips III, en zijn halfzus Isabella, ‘L’Infante’, elkaar in felle bewoordingen. Isabella klaagt haar halfbroer aan. Niet hij, maar zij zou vorst van Spanje moeten zijn. Hun vader Filips II heeft zijn vrouw Elisabeth van Valois (Isabella’s moeder) vermoord en vervolgens een nicht getrouwd, Anna van Oostenrijk. Zij werd Filips’ moeder, zodat hij dus is voortgekomen uit bloedschande. En de Paus heeft daar nota bene toestemming voor gegeven! In de woordenwisseling laat Isabella zich voorstaan op haar hogere afkomst en weet zij zich gesteund door de adel, terwijl Filips III zijn heil zoekt bij de rooms-katholieke kerk en de traditie van troonopvolging in mannelijke lijn.

’s Conincks soon nl. Don Carlos, zoon van Filips II en halfbroer van Filips III
mijn vader nl. Filips II
met vermeten stoutmoedig
myn moer nl. Elisabeth van Valois
heeft verhenght heeft het toegestaan
weeren tegenhouden
loth erfdeel
spijt van minachting over
Nu na Weenen moet ghy sullen dwz. ga terug naar je moeder
smal onbeduidende
bestueren bepalen
Cnuncken kanunniken
Muncken monniken
Een goet schout die syn boet verwacht. (De infante zegt op te treden als schout en de boete van de bloedschande te innen, namelijk dat hij geen koning meer kan zijn. Dus: ik krijg wat me toekomt)
Cardinalen je onderwerpen aan het gezag van de Kerk
veysen zodanig te gedragen
sy myn doent niet en verstaen men mijn doen en laten niet beoordeelt
vroet wijs
u te stellen myn perthije in opstand te komen tegen mij
rijcke heerschappij
Dat waarvan
gelt vermogen
Die Prins hier: De allerhoogste, God (begin van de prince-strofe)

Melodie uit: J.B. Stalpaert van der Wiele, Gulde-Iaer Ons Heeren Iesv Christi. Deel 1 Op alle de zonnendagen des Iaers. s-Hertogenbosch: Jansz. Scheffer 1628, p. 116.
Scan via UB Utrecht (pdf p.142).
Tekst uit: [Laurens Jacobsz. Reael], Het Beclach der Spaenscher Naty. Waer inne te kennen ghegeven wert aen wiens handen het Coninckryck van Hispangien behoort te comen, mitsgaders die schandelycke en onerhoorde Bloedt-schande, twelck de Paus van Romen heeft toeghelaten, teghen Gods wetten ende wtghedruckte bevelen, volghens hoe sy voor haer nemen dese Nederlanden onder een eeuwighe slavernye ende servituyt te brenghen, weerdigh om lesen. Hier achter is noch een Liedt toeghedaen, alwaer een gespreck ghehouden wert tusschen L. Infante, ende den soon. ghetrouwelijck wt den Spaenschen originalen ghedichte ghetranslateert. [...] [Amsterdam: Willem Jansz. van Campen, 1598], fol. A3v-A4v.
Scan via Google Books

3. Als Coninck ben ick hoogh geseten
In spaensche rijck door Pauselijck recht,
Om dat myn vader met vermeten
Sijn susters dochter, nam ter echt.

L’Infante.
4. Hola Jonghman, ghy pocht te seere
Hola Jongman, ten is noch geen tijt.
U Rijck is Jongh ende daer toe teere,
Fortuyn kan draeyen seer subyt.

5. Want echt en recht ben ick gebooren
Van franschen bloet in hooger staet.
Mijn vader liet myn moer versmooren
Om dat sy droegh een manlijck saet.

6. Uut bloetschande syt ghy gecomen,
Geen echte soon en mooght ghy syn.
Daerom u t’rijck sal syn genomen
En t’sal gegeven werden myn.

Den Soon.
7. Jonck vrou, ghy spreeckt seer hooge reden,
Joncvrou, u saeck staet niet so schoon.
Noyt besat vrou de croon in vreden,
Maer wel die man, des Conincks soon.

L’Infante.
8. Mijn hoge reden sal ick doen blycken
Als Prince, vorst en Edelman
Van uwer syde gaen af strycken,
My als princesse volgen dan.

De Soon.
9. Ons alderheylichste God op aerden,
Die Paus van Roomen, heeft verhenght,
Daerom dit huwelijc blyft van waerden,
Geen bloet schand is daer me vermenght.

L’Infante.
10. Al gingh die Paus hier dispenceeren,
Al stelde hy hem boven God,
Ghy hoerekint sult myn niet weeren,
In spaensche rijck hebt ghy geen loth.

De Soon.
11. U trots en spijt van dit bloet schande
Kan ick van u verdragen niet.
Tsa maeckt u op, ghy moet uuten landen
Eer myn van u meer leyts geschiet.

L’Infante.
12. Des Paus Segel en groote bullen
En wil ick achten niet een haer.
Nu, Nu na Weenen moet ghy sullen
Een Smal Eedelman blyven daer.

De Soon.
13. Dat sal ick anders wel bestueren,
D’Inquisiti staet myn by,
Bisschoppen, Cnuncken, telcken uyren
Muncken, en papen, syn voor my.

L’Infante.
14. Daer tegen sal ick weder setten
Den gantsche adel met haer macht,
Die d’Inquisity plach te verpletten
Een goet schout die syn boet verwacht.

De Soon.
15. Jonck vrou ghy moet wat Cardinalen,
Jonck vrou ghy moet nae Vlaenderlant.
Tis beter dat ghy daer gaet dralen
Dan dat myn rijck raeckt inden brant.

L’Infante.
16. Als ick dan doch sal moeten reysen
Door groot gewelt mijn aengedaen,
Help God wil myn doch leeren veysen
Dat sy myn doent niet en verstaen.

De Soon.
17. Jonck vrou ghy ruyckt nae ketterye,
Luthrianen maeckent u al vroet
Om u te stellen myn perthije;
’T eynd draeght die last vant begin soet.

L’Infante.
18. Geen Luthrianen my en quellen,
Geen ketters porren my aen ’thooft.
Gods wet doet my int rijcke stellen
Dat d’Inquisiti my berooft.

De Soon.
19. Nae’t rijck, Princes, en wilt niet poogen,
U gelt is cleyn, ghy hebt geen macht.
In Vranckrijck vindt ghy u bedroogen
Daer hout myn gelt altijt de wacht.

L’Infante.
20. Die Prins, die Heere der heyrscharen,
Mijn recht bewaart en my bevrijt
Voor u bloet dorst, ende sal spaeren
Sijn volck, verlossen tsijner tijt.

FINIS.

(Laurens Jacobsz Reael)

0
    0
    Uw winkelmandje
    Uw winkelmandje is leegNaar de winkel

    Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

    Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

    Sluiten