2a | Wilhelmus

2a | Wilhelmus

Oorspronkelijk is het Wilhelmus gedicht op een vlot lopende melodie, waar meer pit in zit dan we van het Nederlandse volkslied gewend zijn. In het Geuzenliedboek uit 1576 staat als wijsaanduiding: ‘Na die wijse van Chartres’. Het gaat hier om ‘O la folle entreprise / du Prince de Condé’: het spotlied dat een katholieke soldaat schreef over het mislukte beleg van de Franse stad Chartres door de Prins van Condé en zijn Hugenoten (1568). Het is grappig dat juist de melodie van een lied gericht tégen de protestanten is gebruikt om er een tekst op te dichten waarin de ‘ik’-persoon de legeraanvoerder van de Opstand is, de Prins van Oranje. Zijn naam ‘Willem van Nassou’ is zelfs als acrostichon in de eerste letters van de strofen verwerkt.

Het Wilhelmus raakte vanaf omstreeks 1572 algemeen bekend bij de opstandelingen en het werd hun herkenningslied. De politieke lading was voor iedereen duidelijk. Zo heeft het zingen van het Wilhelmus op de stadsmuur van Haarlem een soldaat zijn been gekost, omdat de Spanjaarden die de stad in 1573 belegerden, het lied herkenden en meteen begonnen te schieten. Het Wilhelmus werd aan kinderen geleerd en gezongen door passagiers in trekschuiten en door geuzen op hun schepen. Het werd ook gespeeld bij overwinningen. Zo bliezen de stadsspeellieden van Brussel het op schalmeien en cornetten bij de triomfantelijke intocht van Willem van Oranje in 1577 en klonk het als eerste op de beiaard na de bevrijding van Groningen in 1594: ‘Den 24 omtrent den middach, omtrent 3 uiren hebben wi wederomme het klockenspil gehoret, ende dat eerste dat hie spoelde was Wilhelmus van Nassau.’

Toen een jager de melodie in 1624 op zijn trompet blies in het veld bij Harsselo, vluchtten de Spanjaarden die daar aan een feestmaal zaten in paniek weg, met achterlating van eten en buit, omdat ze dachten dat de troepen van Oranje in aantocht waren. Het is ook niet verwonderlijk dat dit lied, dat zo nadrukkelijk de lof zingt van de prins, gedurende de gehele Nederlandse Opstand en daarna met de Oranjes verbonden is gebleven.

van Nassouwe afkomstig uit Nassau, een graafschap in Duitsland
vry onverveert zeer onverschrokken
Om Lant om Luyd ghebracht zijn mij mijn land en volk ontnomen
regeren inzetten
Regiment hier: functie als stadhouder en legeraanvoerder
Lijdt u Heb geduld
oprecht loyaal
u omwille van u
verschoont gespaard
ghebleven gesneuveld
Vrislandt inden Slagh de slag bij Heiligerlee (23 mei 1568)
vry onversaecht zeer onverschrokken
Van Tegen
beswaren verdrukken
bewaren beschermen
Als Zoals
hem namelijk: David
Niet niets
opgheseten te paard gezeten
myner Heyres van mijn leger
vermeten hoogmoedige
den Slach de tegenaanval
Die namelijk: den Tyran
begraven verschanst ligt
ghewelt legermacht
tempeest ellende
reden ondersteunen
doen bekont bekend wil maken
Orlof Vaarwel
Dan Ware het niet
hoochster allerhoogste
obedieren gehoorzamen

Tekst uit: Een nieu Guese Liede Boecxken, Waerinne begrepen is den gantschen Handel der Nederlantscher gheschiedenissen, dees voorleden acht Jaren tot die Peys toegedraghen, eensdeels in Druck uutghegaen, eensdeels nu nieu by gheuoecht. Midtsgaders sommige schoone Refereynen ten selven Propoosten dienende hierachter by ghestelt. Nieu nieulick vermeerdert ende ghecorrigeert. Vive le Gues. Pro Lege, Rege ([z.n., z.p.] 1576/1577), fol. 32v-35r. http://www.dbnl.org/arch/_nie096nieu01_01/pag/_nie096nieu01_01.pdf  (pdf p. 68)
Melodie uit: Deuchdelijcke Solutien, gesolveert by vele ingenieuse Componisten van diversche Cameren van Rethorijcken (Antwerpen: Gielis vanden Rade, [1574]), fol.[ Ff 4v -5r].  http://www.dbnl.org/arch/_deu004deuc01_01//_deu004deuc01_01.pdf (pdf. p. 49)

Bladmuziek

Tekst

3. Lijdt u, mijn Ondersaten
Die oprecht zijn van aert,
God sal u niet verlaten,
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begeert te leven
Bidt Godt nacht ende dach
Dat hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

4. Lijf end’ goet al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders hooch van Namen
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven
In Vrislant inden Slach,
Sijn siel int eewich Leven
Verwacht den Jongsten dach.

5. Edel end’ Hoochgeboren
Van Keyserlicken Stam,
Een Vorst des Rijcx vercoren,
Als een vroom Christen Man,
Voor Godes Woort ghepresen
Heb ick vry onversaecht
Als een Helt sonder vreesen
Mijn Edel Bloet ghewaecht.

6. Mijn Schilt ende Betrouwen
Sijt ghy, O God mijn Heer,
Op u so wil ick bouwen
Verlaet my nemmermeer:
Dat ick doch vroom mach blijven
U dienaer t’aller stont,
Die Tyranny verdrijven
Die my mijn hert doorwont.

7. Van al die my beswaren
End’ mijn vervolgers zijn,
Mijn God wilt doch bewaren
Den trouwen Dienaer dijn:
Dat sy my niet verrasschen
In haren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

8. Als David moste vluchten
Voor Saul den Tyran:
So heb ick moeten suchten
Met menich Edelman.
Maer God heeft hem verheven,
Verlost uyt alder noot,
Een Coninckrijc gegeven
In Israel seer groot.

9. Nae ’t suer sal ick ontfangen
Van God mijn Heer dat soet,
Daer na so doet verlangen
Mijn Vorstelick ghemoet:
Dat is dat ick mach sterven
Met eeren in dat Velt,
Een eewich Rijck verwerven
Als een ghetrouwer Helt.

10. Niet doet my meer erbarmen
In mynen wederspoet
Dan datmen siet verarmen
Des Conincx Landen goet.
Dat u de Spaengiaerts crencken
O Edel Nederlant soet,
Als ick daer aen ghedencke
Mijn Edel hert dat Bloet.

11. Als een Prins opgheseten
Met myner Heyres cracht
Van den Tyran vermeten
Heb ick den Slach verwacht,
Die by Maestricht begraven
Bevreesde mijn ghewelt;
Mijn Ruyters sachmen draven
Seer moedich door dat Velt.

12. So het den wille des Heeren
Op die tijt had gheweest,
Had ick wel willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hierboven
Die alle dinck regeert,
Diemen altijt moet loven
En heeftet niet begheert.

13. Seer Christelick was ghedreven
Mijn Princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mynes herten gront,
Dat hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen bekont.

14. Orlof mijn arme Schapen
Die zijt in grooten noot,
U Herder sal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroyt:
Tot God wilt u begheven,
Sijn heylsaem Woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

15. Voor God wil ick belijden
End syner grooter macht
Dat ick tot geenen tijden
Den Coninc heb veracht:
Dan dat ick God den Heere
Der hoochster Maiesteyt
Heb moeten obedieren
Inder gherechticheyt.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten