31 | Het daagt in de oosten

31 | Het daagt in de oosten

We kennen deze melodie uit de bundel Souterliedekens (1540), een belangrijke bron voor het Nederlandse contrafact. ‘Het daghet in het Oosten’ is gebruikt voor psalm 4. De rijke, melancholieke melodie vormt een prachtig geheel met de tekst uit het Antwerps liedboek (1544), waar in elk couplet de derde regel wordt herhaald. Het effect daarvan is verstilling, waarbij je verlangt naar de volgende strofe.

In de tekst herkennen we een zogeheten dageraadslied, dat begint na een nacht waarin een duel tussen een geliefde jonge man en zijn rivaal heeft plaatsgevonden. Nu het ochtend wordt, wil de rivaal de jonge vrouw meenemen op zijn vlucht, wat zij niet wil. Dan vertelt hij haar dat het lijk van haar geliefde onder de groene linde ligt.

Na de vondst van het lichaam voelt ze zich in de steek gelaten en er is niemand die haar wil helpen om haar dode geliefde te begraven, wat ze tenslotte maar zelf doet, ‘Met haer snee witten armen’. Uit verdriet trekt ze zich terug in een klooster. De teksten in het Antwerps liedboek zijn bedoeld ‘Om droefheyt ende melancolie te verdrijven’.

haeselen boem hazelaar
vroem hier: verstandig
moeye mooI
win wijn
voerdorren verdorren
eertge maagdelijkheid
rommel onkuis gedrag
er of daarvan

Tekst uit: Hs. Antonis van Butevest, ca 1590, fol. 111v, Lied 87. Erfgoed Leiden en omgeving, Toegang 0509, Archieven van de rederijkerskamers: inv.nr. 1474, fol. 111v.
Melodie uit: Joannes Tollenarius, Het prieel der gheestelicker melodiie, inhoudende veel schoone leysenen, ende geestelijke liedekens van diveersche devote materien, ende op de principale hoochtijden des jaers dienende etc. Van nieuws over-sien vermeerdert ende verbetert in veel plaetsen. Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1617, p.176. https://books.google.nl/books?id=sDcUAAAAQAAJ (pdf p. 203)

Bladmuziek

Tekst

3. ‘Dats waer soudi mi voeren,
Stout ridder wel gemeyt,
ic ligge in mijns liefs armkens
Met grooter waerdicheyt.
ic ligge in mijns liefs armkens.’

4. ‘Ligdy in uws liefs armen
Bilo ghi en segt niet waer.
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leyt hi daer.
Gaet henen ter linde groene.’

5. Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
daer si den dooden vant.
Al totter linde groene.

6. ‘Och ligdy hier verslaghen
Versmoort al in u bloet,
dat heeft gedaen u roemen
Ende uwen hooghen moet.
dat heeft gedaen u roemen.

7. Och lichdy hier verslaghen
die mi te troosten plach,
Wat hebdy mi ghelaten
So menighen droeven dach.
Wat hebdi mi ghelaten.’

8. Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck eenen ganck
Al voor haers vaders poorte
die si ontsloten vant.
Al voor haers vaders poorte.

9. ‘Och is hier eenich heere
Oft eenich edel man
die mi mijnen dooden
Begraven helpen can
die mi mijnen dooden.’

10. Die heeren sweghen stille
Si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme
Si ghinc al weenende uut.
Ende si ghinc wederomme.

11. Si nam hem in haren armen
Si custe hem voor den mont,
In eender corter wijlen
Tot also mengher stont.
In eender corter wile.

12. Met sinen blancken swaerde
dat si die aerde op groef,
Met haer snee witten armen
ten grave dat si hem droech.
Met haer snee witten armen.

13. ‘Nu wil ic mi gaen begeven
in een cleyn cloosterkijn,
ende dragen swarte wijlen
ende worden een nonnekijn.
Ende dragen swarte wijlen.’

14. Met haer claer stemme
Die misse dat si sanck,
Met haer snee witten handen
dat si dat belleken clanck.
Met haer snee witte handen.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten