32b | Dat sou een moey meisie te reyden gaen

32b | Dat sou een moey meisie te reyden gaen

Het incipit van dit lied is vergelijkbaar met de wijsaanduiding ‘Het soud’ een Maysjen ter hayde gaen’ die Hooft gaf voor ‘Het vinnich stralen van de Son’, en de strofevorm is hetzelfde. Voor deze oudere tekst is een eenvoudigere versie van de melodie gekozen uit Het prieel der gheestelicker melodiie (1617).

De tekst is van de rederijker Antonis van Butevest, lid van de Leidse kamer De Witte Acoleyen. We herkennen het Duits-Nederlandse thema van de hazelaar en het meisje, dat op de hei bloemen gaat plukken, wijn gaat halen, rozen gaat breken. Ook hier gaat een jonge vrouw op pad, maar ze treft onderweg een hazelaar aan, die haar prijst om haar schoonheid en haar waarschuwt dat ze haar eer niet moet verliezen. Dan ziet het meisje ervan af om naar haar vrijer te gaan.

De princestrofe roept de jongemannen op zich maar elders te vermaken, zodat de meisjes hun eer behouden en de jongens zich niet hoeven te schamen.

haeselen boem hazelaar
vroem hier: verstandig
moeye mooI
win wijn
voerdorren verdorren
eertge maagdelijkheid
rommel onkuis gedrag
er of daarvan

Tekst uit: Hs. Antonis van Butevest, ca 1590, fol. 111v, Lied 87. Erfgoed Leiden en omgeving, Toegang 0509, Archieven van de rederijkerskamers: inv.nr. 1474, fol. 111v.
Melodie uit: Joannes Tollenarius, Het prieel der gheestelicker melodiie, inhoudende veel schoone leysenen, ende geestelijke liedekens van diveersche devote materien, ende op de principale hoochtijden des jaers dienende etc. Van nieuws over-sien vermeerdert ende verbetert in veel plaetsen. Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1617, p.176. https://books.google.nl/books?id=sDcUAAAAQAAJ (pdf p. 203)

Bladmuziek

Tekst

3. Doen ick u eerst begon te Minnen
Doen waert gy maer een knopjen groen,
’t Welck door de Son eerst sou beginnen
Zijn Purper Bladeren op te doen
En dat ontsloot // Meer Groen als Root;
’t Was my een vreught als ick’t somwijl aensagh
Hoe een rijp hart in haren boesem lach.

4. Nu is u Roosken al ontloken,
Den Haeghschen Tuyn tot een cieraet,
Den Hemel milt heeft u begoten
Met deught en schoonheyt delicaet:
Het schoon ontluyckt // is tijt gepluckt,
Maer wat baet my dat gy in schoonheyt Bloeyt?
Met u, schoon Lief, is mijn Ionck hart vermoeyt.

5. Ick heb ghewacht na u ontluycken,
Niet sonder diepe hoope swaer
Om u Roosken noch eens te plucken;
De tijdt viel my wel duysent Iaer.
Maer nu u blaen // meest zijn ontdaen,
Nu het alleen aen u goetheyt ghebreeckt,
Voel ic hoe schaerp dat uwen doren steeckt.

6. Voorwaer ick vind my heel bedrogen
Doen ick u aenschijn klaer aensagh,
En met schaemroot wert ick doortogen
Doen ghy my saeght heel onverdacht:
Ick dacht wist gy // wat dat ic ly,
Ic dacht dat gy ’t wel uyt men voorhooft saegt
Hoe mijn jonc hart u altijt liefde draegt.

7. Adieu Princes, ick hoop te sterven
In mijne Ieught, noch vars bedout.
Dat waer de doodt te mogen erven:
De vreughde die ghy mijn onthout.
Als ick ben doot // door liefde groot,
Als ick ben doot, so denckt in uwen sin,
Of ick’t verdien om dat ick u bemin.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten