37a | Psalm 6

37a | Psalm 6

In 1580 verscheen de berijming van alle 150 psalmen door de dichter, theoloog en diplomaat Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde. Voor dit Boeck der Psalmen Davids had Marnix de oorspronkelijke Hebreeuwse teksten berijmd ‘op de ghewoonlijcke Francoische wyse’, dat wil zeggen op de melodieën van het Geneefse Psalter, dat in 1562 voor het eerst in volledige versie was verschenen. De uitgever van de bundel was Gillis vanden Rade, eigenaar van een bloeiende boekdrukkerij in Antwerpen, die ook propaganda drukte voor Willem van Oranje.

Marnix heeft de psalmen ‘in de ghemeyne sprake overgheset’ voor alle Nederlandse calvinisten die te lijden hadden onder ‘swaer vervolging’ en die werden ‘verdrucket’ of waren verdreven ‘by een vremdt volck uyt uwen land’, zoals zegt hij in de voorrede. Dit terwijl hij zelf in de ballingschap was en ‘in de gevangenisse onder de hande der vyanden’. In de tekst van psalm 6 luisteren we naar koning David op een moment waarop hij in doodsangst verkeert. Hij lijdt zowel lichamelijk als geestelijk ondragelijke pijn. Vanaf zijn ziekbed, dat nat is van zijn tranen, smeekt hij de Heer om verlossing ‘Mijns drucks end' lydens smertich’.

koetse bed
leken druipen
sterrooghen turen (onderwerp = d’oog)
moed’ moeizaam
opghespeert opengesperd
stracx snel

Melodie en tekst uit: Philips van Marnix, Het Boeck der psalmen Dauids. Wt de Hebreische Spraecke in Nederduytschen dichte, op de ghewoonlijcke Francoische wyse ouerghesett. Antwerpen: Gillis vanden Rade, 1580, fol. A6r-A7r.
Scan via de DBNL (pdf p. 27).

3. Mijn siel is my benouwet,
Mijn hert’ is schier verflouwet
Van ancxt tot inden doot.
My is vervaerlijck banghe,
Maer du, o Heer, hoe langhe
Verlaetstu my in noot?

4. Wil dy tot mijnwaerts wenden
End’ mijn siel vol ellenden
Verlossen uyt dees’ pijn.
Behoud my, slae my gade
End’ wil om dijn ghenade
Mijn salichmaker syn.

5. Dewijl’ van dy gheen melding
In ’s doodes overwelding
Doch nymmermeer gheschiet,
Wien soud’ m’oock connen noemen
Die dynen lof mocht roemen
Sijnd’ onder ’s doots ghebiet?

6. Mijn treuren doet my smachten,
Dies my t’bedd’ alle nachten
Swemt in een tranen badt.
Met weenen onbesweken
Doe ick mijn koetse leken
End’ maeckse gheheel nat.

7. D’oog is my van te treuren
End’ schreyen t’elcke euren
By nae gantz uutgheteert,
End’ van steed’s te sterrooghen
Op mijns verdruckers pooghen
Is heel moed’ opghespeert.

8. Laet van my stracx vertrecken,
Al die haer handt uytstrecken
Om boosheyt te begaen.
Dewyle Godt almachtich
Mijns weenens stemme clachtich
Beghint te hooren aen.

9. De Heer verhoort mijn claghen,
End’ laet hem wel behaghen
Mijn hertelijck ghebet.
Mijn smeecken seer ootmoedich
Ontfangt de Heere goedich
End’ ernstich daer op lett.

10. Dies sullen die my haten
Beschaemt zijn uyter maten
End’ staen in grooten schrick.
Sy sullen wederkeeren
Met schand’ end’ met oneeren,
Stracx op een ooghenblick.

Philips van Marnix Heer van St. Aldegonde

0
    0
    Uw winkelmandje
    Uw winkelmandje is leegNaar de winkel

    Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

    Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

    Sluiten