6 | Tien geboden

6 | Tien geboden

Toen de Reformatie zich in de zestiende-eeuwse Nederlandse Republiek verbreidde, waren verschillende dichters bezig met het vertalen van de psalmen in het Nederlands, hetzij vanuit de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws, hetzij vanuit het Frans van de Geneefse psalmen. Onder hen bevonden zich Jan Utenhove, Philips Marnix van St. Aldegonde en Petrus Datheen. Doordat Datheen de eerste was die alle 150 psalmen af had en in 1566 in een mooie bundel uitgaf, is zijn vertaling uit het Frans voor lange tijd de standaard berijming geworden voor protestants Nederland. Behalve de 150 psalmen had Datheen ook de ‘ander Lofsanghen’ vertaald, waaronder de lofzangen van Zacharias, Maria en Simeon, én de Tien geboden.

In dit lied is de beroemde tekst uit het bijbelboek Exodus 20 in eenvoudige taal weergegeven, rechtstreeks uit het Frans. Zo is de openingszin ‘Leve le cuer’ van Clément Marot door Datheen vertaald met ‘Heft op u’ hert’. Ook de melodie is afkomstig uit het Geneefse psalter. Eenvoudig en makkelijk aan te leren, werd deze wijs in de Gouden Eeuw veelvuldig gebruikt voor allerlei liederen, wel altijd met een stichtelijke boodschap. En tot op de dag van vandaag wordt ze in kerken gezongen, met teksten van divers pluimage.

hardt koppig
eerd vereert
Zeloers jaloers
Ydelick lichtvaardig
Godts Woort smaeckt geniet van Gods Woord
vermeeren zich vermenigvuldigen
u Godt God u
al ook al
metael bazuin
dit te houden ons hieraan te houden

Tekst en melodie uit: Petrus Dathenus, Alle de Psalmen Davids, Ende Ander Lofsanghen, Wt Den Francoyschen dichte in Nederlandschen overghesett. De welcke men voortaen in de Nederlandsche Ghemeynten ghebruycken zal (z.pl., 1566), fol. Z4r. en v. https://books.google.nl/books?id=5ORNAAAAcAAJ (pdf. pp.568-569)

Bladmuziek

Tekst

3. Laet u gheen beeldt maeken noch snyden
Van eenigh dingh in’t eerdtsche dal,
So ghy die eerd t’eenighen tyden,
Uwe Godt seer Zeloers sijn sal.

4. Ydelick sijnen naem ghepresen
Sult ghy niet nemen in den mondt,
Want hy sal niet onschuldigh wesen,
Die dien misbruuckt t’eenigher stondt.

5. Aerbeydt ses daghen, End met lusten
Viert den sevensten, Godts Woort smaeckt,
Want Godt wild’ op dien daegh self rusten,
Van t’werck dat hy hadde ghemaeckt.

6. Vader end moeder sult ghy eeren,
Op dat ghy langh’ in voorspoet leeft,
End op eerden seer moeght vermeeren,
Die u Godt tot een herbergh gheeft.

7. Doodtslagh end toorne sult ghy myden,
All’ oncuuschheit vliedt end afbreeckt,
Steelt niet, al moest ghy ghebreck lyden,
Gheen valsch ghetuughenisse spreeckt.

8. Van begheeren sult ghy u wachten
Des naesten huus en wijf nu voort:
Na sijn knecht of vee wilt niet trachten,
Noch na al dat hem toebehoort.

9. O Godt u’ Woort seer groot van machten,
Luydt klarer dan eenigh metael,
Gheeft ons die ghenaed’ ende crachten,
Om dit te houden al te mael.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten