8a | Schoonste nimf van het woud

8a | Schoonste nimf van het woud

Uit de Liederenbank van het Meertens Instituut blijkt dat er twee verschillende melodieën onder de standaardnaam ‘Schoonste nimf van het woud’ zijn geplaatst die allebei passen bij het strofeschema 4A 2A 4b 4C 2C 4b. De eerste is een Franse melodie, gecomponeerd door Nicolas de la Grotte op het chanson ‘Quand ce beau printemps je vois’ (1564) van Pierre de Ronsard. De andere melodie staat bekend als ‘Bella ninfa fugitiva’, de beginregel van het slotkoor van de allereerste opera, Dafne (1597), geschreven door dé grote Italiaanse renaissance-librettist, Ottavio Rinuccini. We hebben de Franse versie gekozen voor 8a.

Het verband tussen ‘Schoonste Nimphe van het Wout’ en het Franse chanson ‘Quand ce beau printemps je voy’ is gelegd door Adriaen Valerius. Hij combineerde beide beginregels als wijsaanduiding voor een lied in de Nederlandtsche gedenck-clanck (1626), waarin alle melodieën in notenschrift gedrukt staan. Onze melodie is er te vinden in een versie die iets eenvoudiger is en minder omhoog gaat dan de oorspronkelijke van Nicolas de la Grotte. De wijsaanduiding is in talloze bundels te vinden, onder meer in de Minnelycke Sangh-rympies (1634) van de Amsterdamse toneel- en lieddichter Jan Harmensz Krul, voor zijn geestelijke lied ‘Die de Wereldt wel in-siet’. Kruls passie voor muziek uit zich in de prominente plaats die zang, fluit- en vioolspel innemen in zijn toneelwerk, waarvan hij een deel liet opvoeren in een door hemzelf opgerichte ‘Musyk-kamer’. Hij kon tekst en melodie vakkundig combineren. Op de wijze ‘Schoonste Nimphe van het Wout’ schreef hij zeer diverse liedjes, van een dans van Cupido en een bruiloftszang tot ons levensbeschouwelijke lied. Hieruit blijkt zijn feeling voor melodieën en zang: al deze liederen passen wonderwel op de melodie, die zich naar het karakter van het lied wendt.

niet niets
gelyck vergelijk
P’rijckel gevaar
wond verwondt
verkeerlijck veranderlijk

Tekst uit: J.H. Krul, Minnelycke Sangh-Rympies Vermenght met eenighe sonnetten ende and’re Ghedichies (Amsterdam: Pieter Iansz. Slyp, 1637), pp. 101-102 https://books.google.nl/books?id=0y0UAAAAQAAJ&pg=PA3#v=onepage&q&f=false (pdf pp. 106-107)
Melodie uit: Adrianus Valerius, Neder-landtsche Gedenck-Clanck. Kortelick openbarende de voornaemste geschiedenissen van de seventhien Neder-Landsche Provintien, ‘tsedert den aenvang der Inlandsche beroerten ende troublen, tot den Jare 1625 (Haarlem: [z.n.], 1626), p. 234 https://books.google.nl/books?id=wxxKAAAAcAAJ&hl=nl (pdf p. 248)

Bladmuziek

Tekst

3. ’t P’rijckel dat sijn ziele wond
Is de zond.
Zonde zijn de woeste baren.
Rijckdom is haer ebb’, en vloet,
Die ’t ghemoet
Met haer golven komt beswaren.

4. Hoe verkeerlijck is den Mensch
In sijn wensch?
Soeckt op Aerden ’s Werelds lusten;
Maer de wisse doodt ons leert:
Het verkeert
Als de Ziele soeckt te rusten.

5. Hemels-Prins, gunt my alleen
Te betreen
Weghen, die my moghen leyden
(Door ’t gheselschap van de Deught)
Na de vreught
Van des Hemels eeuwigheyde.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten