8b | Amaril de deeken sacht

8b | Amaril de deeken sacht

Uit de Liederenbank van het Meertens Instituut blijkt dat er twee verschillende melodieën onder de standaardnaam ‘Schoonste nimf van het woud’ zijn geplaatst, die allebei passen bij het strofeschema 4A 2A 4b 4C 2C 4b. De eerste is een Franse melodie, gecomponeerd door Nicolas de la Grotte op het chanson ‘Quand ce beau printemps je vois’ (1564) van Pierre de Ronsard, zie lied 8a van deze Top 40. De tweede melodie staat bekend als ‘Bella ninfa fugitiva’.

Dit is de beginregel van het slotkoor van de allereerste Italiaanse opera, Dafne (1597), geschreven door dé grote renaissance-librettist Ottavio Rinuccini. Deze opera heeft Pieter Corneliszoon Hooft waarschijnlijk gehoord als jongeman tijdens zijn grand tour in Florence. In elk geval heeft hij zich erdoor laten inspireren voor zijn liefdesliedje ‘Amaril de deken sacht’: we vinden de eerste twee regels van het slotkoor van de opera Dafne als wijsaanduiding in zijn Eerste Rijmkladboek: ‘Bella Nympha fugitiva, sciolta e priva, Del mortal tuo nobil velo: etc.’

Wat Hooft ook heeft overgenomen uit Rinuccini’s tekst is de herhaling van de laatste regel van de strofen. Althans, die vinden we ook in de eerste gedrukte versie van Hoofts lied, in de bundel Den Bloem-Hof van de Nederlandsche Jeught (1610). Daarom gebruiken wij de Italiaanse melodie, in tegenstelling tot wat in de edities van de liederen van Hooft tot nu toe is gedaan, waar voor de Franse melodie is gekozen. De herhaling van de laatste regel komen we ook tegen bij andere dichters zoals Stalpaert van der Wiele. In zijn Extractvm Katholicum tegen Alle Gebreken van Verwarde harsenen (1631), schreef hij een lied op de ‘Stem: Amaril den deken zacht’, waarin  hij de herhaling heeft uitgeschreven, zowel in de tekst als in de melodie. Daarom hebben wij dit lied als melodiebron gekozen voor het gedicht van Hooft. Als je zijn ‘Amaril’ op deze melodie zingt, krijgt de tekst het elan dat hij verdient.

gesoord gespuis
Als Toen
Maraen Spanjaard
hem zich
opgeset ingezet
d’wyl nu
spruyten nakomelingen
haest weldra

Tekst en melodie uit: Adrianus Valerius, Neder-landtsche Gedenck-Clanck. Kortelick openbarende de voornaemste geschiedenissen van de seventhien Neder-Landsche Provintien, ‘tsedert den aenvang der Inlandsche beroerten ende troublen, tot den Jare 1625 (Haarlem: [z.n.], 1626), p.132 https://books.google.nl/books?id=wxxKAAAAcAAJ&hl=nl (pdf p. 147)

 

Bladmuziek

Tekst

3. Maer sij dreygt my // soo ick drae
niet en gae,
Achter ‘t luwe bosch te daelen;
Sal ick al de wech alleen // dan betreen
Bij de duyster sterre stralen?
Bij de duyster.

4. ‘Neen ghy’, sey de min, ‘ick sal // u voor al
Gaen gheleyen met mijn schichten;
Dus op yemants overlast // niet en past,
En mijn fackel sal u lichten,
En mijn fackel.

5. Amaril ick stae hier veur // dese deur,
Sal den dans noch langher duren
daer ghy binnen aen cryoelt // noch en voelt
Dese coude buyten uren?
Dese coude.

6. Min, sy wort u fackel claer // niet gewaer
Door de glasen noch mijn clachten,
Maer ick wandel even seer // heen en weer,
Hoe verdrietich valt dit wachten!
Hoe verdrietich.

7. Maer siet gins, oft ooch niet mist? // neen, sij ist.
‘Amaril mijn lieve leven!’
[A] ‘Cephalo van waer comt ghy?’
[C] ‘Vraechdyt mij?
Troost ic sal u antwoort geven,
Troost etc.

8. [C] Cond ick leven sonder u // ick sou nu
Niet gaen doolen bij de weghen.’
[A] ‘Ach, het herte tuychdent mijn // end ick vijn
Cephalo ghy comt mijn teghen.’
Cephalo &c.

9. [C] ‘Schoone ziele van mijn ziel // als u viel
In u besighe ghedachten
T’geen dat ick had in mijn sin // denct dat min,
Vlugghe boo, de tijding brachten,
Vlugghe boo’ etc.

Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke bladerervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je onderaan de pagina klikt op "Accepteren", geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Bekijk hier ons cookie- en privacybeleid.

Sluiten